Vormen - Inleiding
Het aanleren van en het werken met de vormen waaruit de lettertekens zijn opgebouwd is een min of meer op zichzelf staand onderdeel van de methode Lezen moet je dóén.
Het idee om de letters van het alfabet terug te brengen tot tien basisvormen ontstond toen bleek dat leerlingen moeite hadden om de letters van elkaar te onderscheiden. Door de letters vanuit hun grondvorm te leren analyseren en deze vormen te verwoorden kan de leerling gemakkelijker het bijbehorende gebaar en dus ook de klank oproepen.
De tien grondvormen zijn: de lange stok, de korte stok, het rondje, het open rondje, het streepje, de schuine lijn, het poortje, het kuiltje, het boogje en de stip.
De vormen kunnen elk apart worden aangeleerd met behulp van het Vormenboek.
De vormendoosjes kunnen gebruikt worden vanaf het moment dat de leerling de letters gaat leren vanuit de werkboeken Lezen wat je kunt.









